Bij het woord ATEX denken veel mensen als eerste aan speciale lampen, explosieveilige elektromotoren of het bekende geel-zwarte waarschuwingsbord bij de ingang van een ruimte. Dat is begrijpelijk, maar daarmee wordt slechts een deel van het onderwerp geraakt. ATEX begint namelijk niet bij de aanschaf van explosieveilige apparatuur. Het begint bij een zorgvuldige beoordeling van de vraag of op de werkplek een explosieve atmosfeer kan ontstaan, hoe vaak dat kan gebeuren, welke ontstekingsbronnen aanwezig zijn en wat de gevolgen van een explosie kunnen zijn.
De uitkomst van deze beoordeling wordt vastgelegd in een explosieveiligheidsdocument, vaak afgekort tot EVD. In de praktijk wordt ook gesproken over een ATEX-document. De officiële benaming in het Arbeidsomstandighedenbesluit is echter explosieveiligheidsdocument.
Een goed explosieveiligheidsdocument is geen verzameling certificaten en plattegronden die alleen uit de kast wordt gehaald wanneer de Nederlandse Arbeidsinspectie langskomt. Het moet een praktisch veiligheidsdocument zijn. Medewerkers, leidinggevenden, onderhoudsmonteurs en externe bedrijven moeten eruit kunnen opmaken waar het explosiegevaar aanwezig is, welke maatregelen zijn genomen en onder welke voorwaarden werkzaamheden veilig kunnen worden uitgevoerd.
Wanneer is een ATEX-document verplicht?
De juridische basis voor het explosieveiligheidsdocument ligt in de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit. Artikel 3 van de Arbowet verplicht de werkgever een beleid te voeren dat is gericht op zo goed mogelijke arbeidsomstandigheden. Daarbij moeten gevaren en risico’s zoveel mogelijk bij de bron worden voorkomen of beperkt.
Artikel 5 van de Arbowet verplicht iedere werkgever om de risico’s van de werkzaamheden schriftelijk vast te leggen in een risico-inventarisatie en -evaluatie, de RI&E. Daarin moeten de aanwezige gevaren, de mogelijke risico’s en de genomen of nog te nemen risicobeperkende maatregelen worden beschreven. Ook een plan van aanpak maakt onderdeel uit van de RI&E.
Voor explosieve atmosferen zijn deze algemene verplichtingen verder uitgewerkt in paragraaf 2a van hoofdstuk 3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Het gaat om de artikelen 3.5a tot en met 3.5f. Deze bepalingen vormen de Nederlandse uitwerking van de Europese ATEX 153-richtlijn, officieel Richtlijn 1999/92/EG. Deze richtlijn heeft betrekking op de veiligheid en gezondheid van werknemers die door een explosieve atmosfeer gevaar kunnen lopen.
ATEX 153 moet niet worden verward met ATEX 114. ATEX 114 heeft vooral betrekking op fabrikanten en leveranciers van apparaten, beveiligingssystemen en componenten die bestemd zijn voor gebruik in een explosiegevaarlijke omgeving. De eisen van ATEX 114 zijn in Nederland onder meer opgenomen in het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016. Het explosieveiligheidsdocument valt onder de werkgeversverplichtingen van ATEX 153.
Artikel 3.5c van het Arbobesluit bepaalt dat de gevaren van explosieve atmosferen en de daaruit voortvloeiende bijzondere risico’s vóór aanvang van de werkzaamheden in hun geheel moeten worden beoordeeld. De resultaten van deze beoordeling moeten schriftelijk worden vastgelegd in een explosieveiligheidsdocument. De beoordeling moet opnieuw worden uitgevoerd bij iedere belangrijke wijziging, uitbreiding of verbouwing van de arbeidsplaats, de arbeidsmiddelen of het arbeidsproces.
De verplichting ontstaat dus niet pas nadat een bedrijf formeel een ATEX-zone heeft aangewezen. De volgorde is juist andersom. Zodra op een arbeidsplaats brandbare gassen, dampen, nevels of stoffen aanwezig kunnen zijn of kunnen vrijkomen, moet worden onderzocht of deze stoffen samen met lucht een explosieve atmosfeer kunnen vormen. Wanneer dat mogelijk is, moet het explosierisico verder worden beoordeeld en schriftelijk worden vastgelegd.
De Nederlandse Arbeidsinspectie geeft aan dat werkgevers verplicht zijn de gevaren van explosieve atmosferen en de bijzondere risico’s die daaruit voortvloeien te beoordelen. De uitkomsten moeten een plaats krijgen in de RI&E en schriftelijk worden vastgelegd in een explosieveiligheidsdocument.
Dat betekent dat ATEX niet alleen van toepassing kan zijn op raffinaderijen of grote chemische fabrieken. Explosiegevaar kan ook voorkomen in een verf- of coatingbedrijf, een ruimte waar accu’s worden geladen, een afvalverwerkingsbedrijf, een houtbewerkingsbedrijf, een meelfabriek, een bakkerij of een productieomgeving waar kunststof-, metaal- of organisch stof kan vrijkomen. Ook bij het mengen, overpompen, verwarmen, verspuiten of afvullen van brandbare vloeistoffen kan een explosieve atmosfeer ontstaan. Het Arboportaal onderscheidt gas-, damp-, nevel- en stofexplosiegevaar en noemt onder meer de petrochemie, verfindustrie, voedingsmiddelenindustrie, papierindustrie en houtverwerking als sectoren waarin dit onderwerp kan spelen.
Niet iedere aanwezigheid van een brandbare stof leidt automatisch tot een omvangrijke ATEX-zone. Een gesloten verpakking in een magazijn kan bijvoorbeeld een ander risico opleveren dan het open overgieten, mengen, verwarmen of verspuiten van dezelfde stof. De hoeveelheid, ventilatie, temperatuur, lekfrequentie, bedrijfsduur en wijze waarop de stof kan vrijkomen zijn van grote invloed.
Juist om dit verschil betrouwbaar te kunnen beoordelen, is een onderbouwd onderzoek nodig. De opmerkingen “we hebben maar een kleine hoeveelheid” of “er is nog nooit iets gebeurd” zijn geen vervanging voor een explosieveiligheidsbeoordeling.
Het werkelijke proces als uitgangspunt
Het opstellen van een explosieveiligheidsdocument begint op de werkvloer en niet achter een bureau. Eerst moet duidelijk worden welke stoffen aanwezig zijn en welke werkzaamheden daarmee worden uitgevoerd.
Veiligheidsinformatiebladen zijn hierbij belangrijk, maar meestal niet voldoende. Een veiligheidsinformatieblad kan informatie bevatten over het vlampunt, de onderste en bovenste explosiegrens, de zelfontbrandingstemperatuur en de fysische vorm van een product. Voor brandbare stoffen kunnen daarnaast aanvullende gegevens nodig zijn, zoals de minimale ontstekingsenergie, de ontstekingstemperatuur van een stoflaag of stofwolk, de maximale explosiedruk en de snelheid waarmee de druk tijdens een explosie kan toenemen.
Vervolgens moet het proces stap voor stap worden bekeken. Waar wordt een verpakking geopend? Waar wordt een vloeistof overgepompt? Waar kan een flens, slang, koppeling of afdichting lekken? Waar ontstaat stof tijdens het storten, zeven, malen, mengen, afzuigen of reinigen?
Ook moet worden onderzocht of een brandbare atmosfeer zich naar andere ruimten kan verplaatsen. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren via een leiding, afvoer, kabeldoorvoer, ventilatiekanaal, open deur of andere opening. Artikel 3.5c van het Arbobesluit verlangt uitdrukkelijk dat ook ruimten in de beoordeling worden betrokken die via openingen verbonden zijn of verbonden kunnen worden met ruimten waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen.
Een goede procesbeschrijving kijkt niet alleen naar de normale productie. Ook opstarten, stilleggen, reinigen, onderhoud, monstername, storingen, lekkages en voorzienbare afwijkingen moeten worden meegenomen. Veel gevaarlijke situaties ontstaan namelijk niet tijdens een stabiel productieproces, maar tijdens een handeling die slechts enkele minuten per dag of een paar keer per jaar wordt uitgevoerd.
Denk bijvoorbeeld aan het losnemen van een filter, het openen van een tank, het vervangen van een slang, het schoonblazen van een installatie of het uitvoeren van heetwerk tijdens onderhoud. Juist tijdens deze werkzaamheden kunnen stoffen onverwacht vrijkomen of kunnen tijdelijke ontstekingsbronnen worden geïntroduceerd.
Daarna volgt de vraag of daadwerkelijk een explosieve atmosfeer kan ontstaan en hoe vaak en hoe lang deze aanwezig kan zijn. Op basis daarvan worden gebieden waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen ingedeeld in gevarenzones.
Voor gassen, dampen en nevels gaat het om zone 0, 1 of 2. Voor brandbaar stof gaat het om zone 20, 21 of 22. De zone-indeling is geen doel op zichzelf. Zij is de ruimtelijke vertaling van het risico en bepaalt mede welk beschermingsniveau nodig is voor apparatuur, installaties en werkzaamheden.
Het Arbobesluit koppelt aan deze zones uitgangspunten voor de te gebruiken apparatuur. In zone 0 of 20 is categorie 1-apparatuur het uitgangspunt. In zone 1 of 21 kan categorie 1- of categorie 2-apparatuur worden toegepast. In zone 2 of 22 kan apparatuur van categorie 1, 2 of 3 worden gebruikt, voor zover het explosieveiligheidsdocument op grond van de beoordeling geen andere eisen stelt.
Voor de technische uitwerking worden in Nederland vaak de NEN-EN-IEC 60079-normenreeks en de Nederlandse praktijkrichtlijn NPR 7910 gebruikt. De Nederlandse Arbeidsinspectie noemt deze documenten als belangrijke bronnen voor de beoordeling van explosieve atmosferen en als beschrijving van de stand van wetenschap en professionele dienstverlening. Het blijven hulpmiddelen bij het invullen van de wettelijke verplichtingen. De verantwoordelijkheid voor een juiste en volledige beoordeling blijft bij de werkgever.
Wat moet in het explosieveiligheidsdocument staan?
Een explosieveiligheidsdocument moet aantoonbaar maken dat de werkgever het explosierisico systematisch heeft herkend, beoordeeld en beheerst. Artikel 3.5c van het Arbobesluit noemt verschillende factoren die in ieder geval in de beoordeling moeten worden betrokken.
Zo moet worden gekeken naar de waarschijnlijkheid dat een explosieve atmosfeer voorkomt en hoe lang deze kan voortduren. Daarnaast moet worden beoordeeld hoe waarschijnlijk het is dat ontstekingsbronnen aanwezig zijn, actief worden en daadwerkelijk tot ontsteking kunnen leiden. Elektrostatische ontladingen worden daarbij uitdrukkelijk genoemd.
Ook moeten de aanwezige installaties, gebruikte stoffen, processen en hun mogelijke onderlinge wisselwerking worden beoordeeld. Tot slot moet worden gekeken naar de omvang van de gevolgen die van een explosie kunnen worden verwacht.
In de praktijk begint het document meestal met de reikwijdte van het onderzoek. Welke gebouwen, ruimten, installaties, processen en werkzaamheden zijn onderzocht? Daarna volgt een stoffen- en procesinventarisatie, ondersteund met relevante stofeigenschappen en een beschrijving van de mogelijke bronnen van vrijkomen.
De gebruikte aannames moeten zichtbaar en controleerbaar zijn. Wanneer bijvoorbeeld wordt gesteld dat ventilatie voorkomt dat de onderste explosiegrens wordt bereikt, moet duidelijk zijn waarop dat oordeel is gebaseerd. Welk ventilatiedebiet is beschikbaar? Is de ventilatie continu in bedrijf? Hoe wordt de werking gecontroleerd? Wat gebeurt er wanneer de ventilatie uitvalt? Wordt de installatie dan automatisch stilgelegd?
Een volgend belangrijk onderdeel is de zone-indeling. Deze hoort niet alleen in tekst te worden beschreven, maar bij voorkeur ook op duidelijke tekeningen te worden aangegeven. Daarop moeten de ligging en omvang van de zones herkenbaar zijn, zowel horizontaal als verticaal.
Een zone kan zich rondom een vulpunt bevinden, maar ook boven een vloeistofoppervlak, onder een installatie of in het binnenste van een filter, silo, tank of afzuigleiding. Bij iedere zone moet duidelijk zijn welke bron van vrijkomen tot de zone leidt en welke bedrijfsomstandigheden zijn aangenomen.
Daarna volgt de ontstekingsbronnenanalyse. Alleen controleren of elektrische apparaten een ATEX-markering hebben, is onvoldoende. Mogelijke ontstekingsbronnen zijn onder meer hete oppervlakken, open vuur, las- en slijpwerkzaamheden, mechanisch opgewekte vonken, statische elektriciteit, bliksem, elektromagnetische verschijnselen, ultrasoon geluid, adiabatische compressie en chemische reacties.
Het document moet vervolgens beschrijven welke technische en organisatorische maatregelen zijn genomen. Daarbij geldt een duidelijke voorkeursvolgorde. Eerst moet worden geprobeerd het ontstaan van een explosieve atmosfeer te voorkomen. Wanneer dat gezien de aard van het werk niet mogelijk is, moet ontsteking worden voorkomen. Vervolgens moeten de schadelijke gevolgen en de uitbreiding van een eventuele explosie worden beperkt. Deze volgorde is opgenomen in artikel 3.5d van het Arbobesluit en sluit aan bij het bronbeleid uit artikel 3 van de Arbowet.
Technische maatregelen kunnen bestaan uit gesloten systemen, bronafzuiging, ruimteventilatie, gasdetectie, inertisering, aarding en potentiaalvereffening, temperatuurbeveiliging, explosiedrukontlasting, explosieonderdrukking of explosie-isolatie.
Organisatorische maatregelen zijn bijvoorbeeld werkvergunningen, schriftelijke werkinstructies, schoonmaakregimes, toegangsbeperkingen, inspectie en onderhoud, contractorbeheer, toezicht en afspraken over heetwerk. Het document moet niet alleen vermelden dat een maatregel aanwezig is, maar ook hoe deze wordt beheerd, gecontroleerd en onderhouden.
Verder horen de geschiktheid van arbeidsmiddelen, ATEX-markeringen, verklaringen van overeenstemming, inspectierapporten, onderhoudsregimes en beoordelingen van bestaande of niet-elektrische apparatuur bij het dossier.
Een CE- of Ex-markering bewijst niet automatisch dat een apparaat geschikt is voor iedere situatie. De apparaatcategorie, gas- of stofgroep, temperatuurklasse, omgevingscondities en het type beveiliging moeten aansluiten op de zone en het aanwezige risico. Ook moeten de voorwaarden uit de gebruiksaanwijzing van de fabrikant worden nageleefd.
Artikel 3.5c verlangt bovendien dat in het EVD wordt beschreven hoe arbeidsplaatsen, arbeidsmiddelen en alarminstallaties veilig zijn ontworpen, gebruikt, bediend en onderhouden. Ook moet worden vastgelegd welke gebieden als zone zijn ingedeeld en hoe uitvoering is gegeven aan de maatregelen uit de artikelen 3.5d, 3.5e en 3.5f.
Wanneer meerdere werkgevers op dezelfde arbeidsplaats werkzaamheden uitvoeren, moeten de samenwerking, verantwoordelijkheden, taakverdeling en coördinatie eveneens in het explosieveiligheidsdocument worden vastgelegd.
Wie mag een ATEX-document opstellen?
De werkgever is en blijft verantwoordelijk voor het explosieveiligheidsdocument. De wet schrijft niet voor dat uitsluitend één specifiek type gecertificeerde ATEX-functionaris het document mag schrijven. Dat betekent echter niet dat iemand zonder voldoende kennis zelfstandig een zone-indeling, ontstekingsbronnenanalyse of technische geschiktheidsbeoordeling kan uitvoeren.
De benodigde deskundigheid hangt af van de aard en complexiteit van de situatie. Een relatief eenvoudige inventarisatie kan soms grotendeels met interne kennis worden voorbereid. Bij ingewikkelde productieprocessen, stofexplosiegevaar, onvoldoende bekende stofgegevens, ventilatieberekeningen, niet-elektrische ontstekingsbronnen of explosiebeveiligingssystemen ligt het inschakelen van een aantoonbaar deskundige voor de hand.
Het Arbobesluit schrijft in ieder geval voor dat de explosieveiligheid van de gehele installatie vóór de eerste ingebruikname wordt gecontroleerd door een ter zake deskundig persoon. Deze controle is ook noodzakelijk na iedere belangrijke wijziging, uitbreiding of verbouwing van de arbeidsplaats, de arbeidsmiddelen of het arbeidsproces waarbij explosieve atmosferen kunnen voorkomen.
Omdat het explosieveiligheidsdocument onderdeel is van of gekoppeld is aan de RI&E, moet ook rekening worden gehouden met de regels voor de toetsing van de RI&E. Artikel 14 van de Arbowet bepaalt in beginsel dat de werkgever zich voor de toetsing en advisering laat bijstaan door een gecertificeerde arbokerndeskundige of bedrijfsarts. Voor bepaalde werkgevers bestaan wettelijke uitzonderingen op de toetsingsplicht.
Bij een technisch ATEX-vraagstuk moet de deskundigheid van degene die het explosierisico beoordeelt inhoudelijk aansluiten op het aanwezige risico. Niet iedere arbodeskundige beschikt automatisch over voldoende specialistische kennis van zoneclassificatie, explosieveilige apparatuur of explosiebeveiligingssystemen.
Een veelgemaakte fout is dat een extern adviesbureau een uitgebreid EVD opstelt, waarna het document in een map verdwijnt. Daarmee is het bedrijf nog niet explosieveilig. De organisatie moet de uitgangspunten begrijpen, de maatregelen daadwerkelijk uitvoeren, medewerkers instrueren, apparatuur beheren en wijzigingen tijdig verwerken.
Een document dat niemand op de werkvloer kent of begrijpt, verliest snel zijn praktische waarde.
Is een ATEX Awareness-opleiding verplicht?
Er bestaat geen algemene wettelijke bepaling waarin staat dat iedere werknemer een opleiding moet volgen met exact de naam “ATEX Awareness”. De Arbowet stelt wel duidelijke functionele eisen aan de kennis en instructie van werknemers.
Artikel 8 van de Arbowet verplicht de werkgever werknemers doeltreffend te informeren over hun werkzaamheden, de daaraan verbonden risico’s en de maatregelen die zijn genomen om deze risico’s te voorkomen of te beperken. Het onderricht moet zijn afgestemd op de taken van de werknemer. De werkgever moet bovendien toezien op de naleving van de gegeven instructies.
Voor medewerkers die in of nabij een ATEX-zone werken, betekent dit dat zij moeten begrijpen waar explosiegevaar kan ontstaan, wat de zonemarkering betekent, welke ontstekingsbronnen moeten worden vermeden en welke arbeidsmiddelen en kleding zijn toegestaan. Ook moeten zij weten hoe zij moeten handelen bij een lekkage, alarm, storing of onderhoudswerkzaamheid.
Monteurs, operators, logistiek medewerkers, schoonmakers, leidinggevenden en contractors hebben daarbij niet allemaal dezelfde diepgang nodig. De opleiding en voorlichting moeten aansluiten op hun werkzaamheden, verantwoordelijkheden en mogelijke blootstelling aan het explosierisico.
Een ATEX Awareness-opleiding is een praktische manier om deze basiskennis op te bouwen. Wij bieden hiervoor een ATEX Awareness-opleiding aan. In deze opleiding wordt onder meer aandacht besteed aan het ontstaan van explosieve atmosferen, het verschil tussen gas- en stofexplosiegevaar, de betekenis van de verschillende zones, mogelijke ontstekingsbronnen, ATEX-markeringen en de belangrijkste gedragsregels op de werkvloer.
Een bewustwordingsopleiding maakt iemand niet automatisch bevoegd om zelfstandig complexe zoneberekeningen uit te voeren of een volledige installatie technisch vrij te geven. De opleiding zorgt er wel voor dat medewerkers explosierisico’s eerder herkennen, instructies beter begrijpen en veiligere keuzes kunnen maken.
Ook voor personen die betrokken zijn bij het opstellen, beoordelen of beheren van het explosieveiligheidsdocument is een ATEX Awareness-opleiding een goede eerste stap. Afhankelijk van hun functie kan daarna aanvullende verdieping nodig zijn op het gebied van zoneclassificatie, explosieveilige apparatuur, elektrostatische risico’s, inspectie, onderhoud of explosiebeveiliging.
Het ATEX-document moet blijven leven
Een explosieveiligheidsdocument is nooit definitief klaar. Artikel 3.5c van het Arbobesluit verlangt een nieuwe beoordeling bij belangrijke wijzigingen, uitbreidingen en verbouwingen. Ook artikel 5 van de Arbowet verlangt dat de RI&E wordt aangepast wanneer ervaringen, gewijzigde werkmethoden of arbeidsomstandigheden, of nieuwe inzichten uit de wetenschap en professionele dienstverlening daar aanleiding toe geven.
Dat betekent dat wijzigingen in stoffen, recepturen, hoeveelheden, verpakkingen, machines, afzuiging, ventilatie, gebouwindeling en onderhoudsmethoden langs het EVD moeten worden gelegd. Hetzelfde geldt voor incidenten, bijna-ongevallen, afwijkende meetresultaten en terugkerende storingen.
Een nieuwe machine kan bijvoorbeeld een heet oppervlak of een mechanische ontstekingsbron introduceren. Een energiebesparende aanpassing van de ventilatie kan de verdunning van brandbare dampen verminderen. Een andere reinigingsmethode kan meer stof opwervelen. Een tijdelijke installatie of mobiele telefoon kan een bestaande ATEX-zone beïnvloeden.
Daarom werkt een explosieveiligheidsdocument het beste wanneer het wordt gekoppeld aan het management of change-proces, het onderhoudssysteem, werkvergunningen, inkoopprocedures en contractorbeheer. ATEX wordt dan geen losstaand specialisme, maar een normaal onderdeel van veilig ontwerpen, inkopen, onderhouden en werken.
De werkelijke kwaliteit van een explosieveiligheidsdocument blijkt uiteindelijk niet uit het aantal pagina’s. Zij blijkt uit de vraag of het document overeenkomt met de werkelijkheid.
Zijn de zones op de tekening ook op de werkvloer herkenbaar? Is de aanwezige apparatuur aantoonbaar geschikt? Werkt de ventilatie zoals in de beoordeling is aangenomen? Worden stoflagen tijdig verwijderd? Kennen medewerkers de instructies? Worden veranderingen beoordeeld voordat zij worden uitgevoerd?
Wanneer op deze vragen een overtuigend antwoord kan worden gegeven, is het explosieveiligheidsdocument meer dan een wettelijke verplichting. Het wordt dan een praktisch instrument waarmee wordt voorkomen dat een brandbare stof, zuurstof en een werkzame ontstekingsbron op het verkeerde moment bij elkaar komen.
